Alles mag er zijn

Jan Pieter Meijer is nu crisisspecialist bij de spoedeisende zorg bij Jeugd- bescherming Gelderland. Als jeugdbeschermer in Den Haag ontmoette hij twaalf jaar geleden Milja.

“Milja zag ik voor het eerst op de crisisopvang. Ze was samen met haar jongere broertje en haar moeder. Omdat ik net als zij Portugees spreek, was ik degene van onze organisatie die naar hen toe ging. Milja was dertien jaar en kwam timide over, waarschijnlijk was ze onder invloed van medicatie. Haar broertje van tien was socialer en beter in staat dingen te verwoorden.

Al vrij snel bleek dat de band tussen moeder en zoon beter was dan die tussen moeder en dochter. Het bizarre was dat Milja haar moeder nauwelijks kende. Milja was seksueel misbruikt door familie van haar vader. Ze had in Portugal de laatste jaren in een tehuis geleefd vanwege haar forse gedragsproblemen. Daar kreeg ze zoveel medicatie dat ze verslaafd was geraakt. Moeder had Milja uit het tehuis gehaald en meegenomen. Ze wilde met haar twee kinderen van Portugal naar Engeland gaan om daar een nieuw leven op te bouwen. In Nederland hadden ze een tussenstop gemaakt. Moeder reisde op valse documenten. Ze kwamen met z’n drieën in de crisisopvang terecht.

We plaatsten Milja op een groep in een instelling. Daar escaleerde het al snel. Milja had een lichte verstandelijke beperking, hevige hechtingsproblematiek en was ernstig getraumatiseerd. Ze kon zich gedragen als een wild dier. Ik moest haar gesloten plaatsen. De begrenzing die daar geboden werd, bleek goed voor haar. Ze leerde er de Nederlandse taal. De basisprincipes om iemand die ontregeld is te helpen, zoals school, structuur en regelmaat, deden haar goed.

Toen ik vanuit Den Haag naar Zwolle verhuisde, moest ik de voogdij overdragen. We hielden wel contact. We deden uitjes en ze kwam soms bij mijn gezin thuis. Ze ging naar school en volgde veel therapie. Daar profiteerde ze van, al had ze enorme achterstanden weg te werken. Haar moeder vertrok op een gegeven moment met haar broertje naar Engeland. Dat begreep ik, moeder had een eigen leven vorm te geven, maar daardoor had Milja in Nederland geen familie meer. Mijn vrouw en ik werden gevraagd om weekendpleegouders te worden. Dat probeerden we een tijdje, maar het bleek te ingewikkeld. Milja trok het niet om in een gezin te zijn. Samen op pad gaan was prima, ook belden we regelmatig waarbij we altijd alles open en eerlijk bespraken.

Na haar achttiende wilde ze loskomen van jeugdzorg. Ik raakte uit beeld. In die tijd kreeg ze een flinke terugval. Ze kwam terecht in een gewelddadige relatie. Na weer een mishandeling door haar vriend was ze uit de auto gesprongen en had ze mensen op straat aangeklampt. Vanuit het politiebureau belde ze me en haalde ik haar op. Er volgde een rampzalige week bij mij thuis. Milja kon het gezinsleven niet aan en een van mijn kinderen werd zelfs bang voor haar. Gelukkig vonden we snel een andere plek. Ze bleek zwanger te zijn. Haar dochtertje werd geboren toen Milja negentien jaar was. Aanvankelijk deed ze het hartstikke goed als moeder, maar je zag ook haar beperkingen. Ik maakte me zorgen en mijn vrouw en ik boden aan om voor de kleine te zorgen als het Milja niet zou lukken. Dat was lange tijd een reële optie, we hielden twee jaar een kamertje voor haar vrij.

In die periode kreeg Milja steeds meer moeite om haar dochtertje op te voeden. Ze kon de verantwoordelijkheden niet aan en had het nodig zich af en toe te ontladen. Dan speelden oude overlevingsmechanismes op en verviel ze in middelengebruik of ging in een weekend met verschillende mannen naar bed.

Op een dag kreeg ik weer een telefoontje van de politie. Milja was dronken geweest en had met haar dochtertje in haar armen ruzie gemaakt met de buren. Zoals afgesproken in het veiligheidsplan nam ik haar dochtertje mee naar mijn huis. Het kind bleef vijf dagen. Vrij snel daarna werd de keuze gemaakt dat het meisje naar een ánder pleeggezin zou gaan. Dat was niet makkelijk voor mij, maar achteraf gezien wel beter. Zo kon ik er namelijk helemaal voor Milja zijn.

Milja is familie geworden. Ik hou van haar, ze noemt me pleegvader. Wat ze ook doet, ze kan me altijd bellen. Ze is nu 25 jaar en enorm gegroeid. Nog steeds volgt ze therapie. Soms zijn er periodes dat we geen contact hebben. Dat bepaalt zij dan. We zitten nu in zo’n periode. Dat vind ik moeilijk, maar het doet niet meer zo’n pijn. Ik vind het geweldig dat iemand die zo beschadigd is toch een relatie met mij heeft kunnen aangaan, al is die complex. Tegelijkertijd ben ik ook gewoon een pleegvader die zijn pleegdochter los moet laten.

Als christen heb ik de mensvisie dat iedereen even waardevol is, ongeacht afkomst, gender enzovoort. Door mijn relatie met Milja ben ik veel meer normaal gaan vinden, ik schrik minder van bepaald gedrag. Vanuit mijn werk kende ik de rauwe werkelijkheid van het leven. Door Milja is die rauwheid ook mijn privéleven binnengekomen. Ze heeft veel meegemaakt. Milja mag zijn wie ze is.”


Deel deze pagina: