Kinderrechten als kompas voor gemeentelijk beleid

Straks, na de gemeenteraadsverkiezingen, bepalen de nieuwe coalitieakkoorden hoe gemeenten investeren in jeugd, gezin en een houdbaar jeugdzorgstelsel. Jeugdzorg Nederland wil coalities aanmoedigen om vooral ook op preventie in te zetten om zoveel mogelijk te voorkomen dat specialistische hulp of ondersteuning nodig is. En dus is de vraag: hoe zorg je als gemeente voor een omgeving waarin kinderen en jongeren veilig, gezond en veerkrachtig kunnen opgroeien? Het Child Friendly Cities Initiative van UNICEF biedt daarvoor een praktisch kader, met kinderrechten en kinderparticipatie als vertrekpunt. We nemen een kijkje in Gooise Meren, waar ze dit initiatief als eerste omarmden.
Barbara Boudewijnse is elke keer weer verbaasd over hoe goed kinderen eigenlijk kunnen uitleggen waar ze last van hebben. Zoals laatst nog, toen ze als wethouder in de gemeente Gooise Meren een bijeenkomst van de kinderraad bijwoonde. “Het ging over verkeersveiligheid. Als gemeente gebruiken wij daarvoor CROW-normen, maar een kind heeft natuurlijk geen boodschap aan dat soort termen. Een kind vertelde: als ik daar en daar wil oversteken kan ik de weg eigenlijk niet goed zien omdat er bosjes staan. Die opmerking liet maar weer eens zien dat iets in de praktijk niet voor iedereen in onze gemeente per se goed uitpakt, zelfs als het volgens bepaalde beleidsnormen wel kan. Daarom hebben we ook andere invalshoeken nodig.”
Kansrijk, veilig en gezond
Het Child Friendly Cities Initiative (CFCI) van UNICEF is zo’n andere invalshoek. Gooise Meren, Den Haag en St. Eustatius waren in 2023 de eerste Nederlandse gemeenten die het initiatief omarmden. Het programma helpt gemeenten om kinderrechten onderdeel te maken van gemeentelijk beleid. Het vertrekpunt: ieder kind moet kind kunnen zijn en kansrijk, veilig en gezond kunnen opgroeien.
“Als je het hebt over welzijn en gezondheid van de jeugd, moet je niet alleen bij de jeugdhulp kijken,” zegt Esther Vreeburg, die vandaag ook bij het gesprek met de wethouder is aangesloten. Zij is bij UNICEF Nederland programmamanager Child Friendly Cities. “Natuurlijk moet die jeugdhulp ook goed georganiseerd zijn voor de kinderen die dat nodig hebben. Tegelijk kun je door kinderrechten als vertrekpunt te nemen integraal werken aan een goede basis en ook buiten het sociaal domein het perspectief van kinderen en jongeren meenemen.”
“De problemen in de jeugdzorg zijn groot en hardnekkig. Je kunt ze op honderd manieren benaderen: beleidsmatig, praktisch, vanuit de samenleving. Dit initiatief bood ons een manier om even afstand te nemen en te kijken: hoe kunnen we het anders doen?”
Juist dit beleids- en domeinoverstijgende denken is wat Boudewijnse zo aanspreekt in de UNICEF-benadering. “De problemen in de jeugdzorg zijn groot en hardnekkig. Je kunt ze op honderd manieren benaderen: beleidsmatig, praktisch, vanuit de samenleving. Dit initiatief bood ons een manier om even afstand te nemen en te kijken: hoe kunnen we het anders doen? Niet alleen vanuit het sociaal domein, maar juist ook vanuit afdelingen als mobiliteit en groenvoorziening. Want ook een veilige oversteekplaats of een fijne plek om buiten te spelen draagt bij aan het welzijn van kinderen en jongeren.”
Situatieanalyse
Meedoen aan CFCI begint met een nulmeting: gemeenten starten met een situatieanalyse die in kaart brengt waar ze staan en waar de belangrijkste opgaven liggen. Die interne blik wordt aangevuld met een externe verkenning. Zo haalde Gooise Meren, met daarin de plaatsen Naarden, Bussum, Muiderberg en Muiden, input op bij maatschappelijke partners en bij kinderen zelf. Op basis daarvan maakte de gemeente een Actieplan.
Gooise Meren prioriteerde daarin vier punten: kinderrechten waarborgen, mentale gezondheid versterken, middelengebruik tegengaan en jongerenparticipatie stimuleren. Die punten schreven ze ook in kindertaal op: de gemeente houdt rekening met jullie, jullie zitten lekker in je vel, jullie drinken geen alcohol en jullie kunnen meedenken, meedoen en meebeslissen. De vier actiepunten zijn expres breed geformuleerd, zodat alle afdelingen binnen de gemeente er iets mee kunnen.
Neem ‘kinderrechten waarborgen’. Dat gaat niet over één project, maar over het moment waarop een ambtenaar of bestuurder een afweging maakt. Zo vormen kinderrechten nu het uitgangspunt van het integrale beleidsplan jeugd. Maar Boudewijnse heeft ook een concreter voorbeeld van hoe dit actiepunt zou moeten uitpakken: een bankje. “In een opgeknapt plantsoen werd een paar jaar geleden een bankje geplaatst. Buurtbewoners klaagden, want die waren bang voor hangjongeren en de reflex van de afdeling was meteen dat ze het weghaalden. Met onze actiepunten als uitgangspunt zou dat niet meer mogen gebeuren: bij elke ingreep moeten we expliciet wegen wat die betekent voor kinderen en jongeren. En dat lukt ons steeds beter.”
Dat was uiteraard niet van de ene op de andere dag geregeld. “Dit groeit geleidelijk,” zegt Boudewijnse. “Maar ik geloof dat de hele gemeentelijke organisatie nu wel doordrongen is van dat kinderperspectief. En dat is een goed begin.” En ook daarbuiten begint dat besef te komen. Zo hebben sommige maatschappelijke partners die subsidie aanvragen in hun aanvraag ook expliciet meegenomen hoe hun plan bijdraagt aan een kindvriendelijke gemeente.
Vreeburg van UNICEF Nederland benadrukt dat een kindvriendelijke gemeente worden niet een projectje is van een jaar of twee. Het is een aanpak waarmee je kinderrechten en het perspectief van kinderen structureel in de hele organisatie verankert en waarin je als gemeente ook investeert, bijvoorbeeld door medewerkers vrij te maken. “In de eerste twee, drie jaar leg je het fundament, zoals nu in Gooise Meren is gebeurd. Het gaat dan niet alleen over concrete doelen die in het Actieplan komen, maar juist over de verbindingen die gelegd worden en het bewustzijn dat in de hele organisatie ontstaat.”
Alcohol
Een vrij concreet actiepunt is: ‘middelengebruik tegengaan’. Dat komt mede voort uit de inbreng van kinderen zelf, die in het Gooi opgroeien in een omgeving waar relatief veel gedronken wordt. Boudewijnse: “Alcoholgebruik is in Gooise Meren een groot probleem. Ook veel jongeren drinken veel alcohol, met de GGD hier in de regio werken we daarom ook hard aan preventie.” Vreeburg herkent het vraagstuk uit andere gemeenten. Omdat het thema bij meerdere gemeenten speelt, organiseerden ze vanuit CFCI hierover een themasessie om met elkaar het gesprek te voeren over de relevante kinderrechten en wat je kunt doen in de praktijk.

Meedenken en meebeslissen
Het actiepunt ‘jongerenparticipatie stimuleren’ krijgt vorm in de al eerder genoemde kinderraad. Die bestaat uit kinderen uit groep 8: elke basisschool in de gemeente vaardigt één kind, een vertegenwoordiger, af. De raad komt acht keer per jaar bijeen en draait nu voor het tweede jaar. Een medewerker van de gemeente begeleidt die bijeenkomsten. Er is ook een kinderburgemeester, die gedurende het jaar wisselend door andere vertegenwoordigers uit de kinderraad wordt ingevuld. De kinderburgemeester sluit naast de (loco-)burgemeester aan bij officiële bijeenkomsten, zoals de Dodenherdenking.
De eerste kinderraad richtte zich vooral op klimaat en haalde ideeën op om de gemeente duurzamer te maken. In januari van dit jaar ging de kinderraad in gesprek met beleidsmedewerkers verkeer over dilemma’s als kiezen voor een speeltuin of een parkeerplek, en goede verlichting of goede natuur. Het gaat in de kinderraad niet alleen om de input die de gemeente ophaalt, zegt Boudewijnse. “Maar ook om die jongeren bewust te maken van het feit dat ze een stem hebben, dat ze een rol hebben in de samenleving. En ze leren ook dat niet alles wat zij willen zomaar kan. Daar hebben ze de rest van hun leven iets aan.”
Mentaal welzijn
Het vierde actiepunt, ‘mentale gezondheid verbeteren’, is volgens Boudewijnse het lastigste om te vertalen naar concreet gemeentelijk beleid. De aanleiding ervoor is helder: uit de Gezondheidsmonitor blijkt dat eenzaamheid en depressie onder jongeren toeneemt, mede verergerd door corona. “Als gemeente zijn wij hier slechts een schakel in,” zegt Boudewijnse. Ze noemt de multidisciplinaire overleggen op scholen, waarin leraren en de jeugdzorg leerlingen bespreken waar zorgen over zijn. De eigen jeugdconsulenten van de gemeente spelen ook een rol, maar die komen pas in beeld als een kind al in het systeem zit. “Dan ben je eigenlijk al te laat. Daarom is het zo belangrijk dat iedereen zich hiermee bezighoudt. Ook de ouders. Ik zie ook dat kinderen gebukt gaan onder prestatiedruk. Dat ze bijvoorbeeld naar het vwo moeten, terwijl ze dat eigenlijk net niet aankunnen. Of dat hun ouders ze continu in de gaten houden via Magister. Scholen in onze gemeente zijn nu ook bezig om te kijken of ze iets met die leerlingvolgsystemen kunnen doen om dat soort druk weg te nemen.”
“Het gaat erom dat we het bredere plaatje zien. Een goed voorbeeld is dat we elkaar steeds minder op straat ontmoeten, omdat daar minder ruimte is. Terwijl dat eigenlijk de woonkamer van de jeugd is.”
Ook de fysieke omgeving speelt een rol bij mentaal welzijn. Vreeburg: “Gemeenten hebben doorgaans al genoeg programma’s rondom mentaal welzijn. Het gaat erom dat we het bredere plaatje zien. Een goed voorbeeld is dat we elkaar steeds minder op straat ontmoeten, omdat daar minder ruimte is. Terwijl dat eigenlijk de woonkamer van de jeugd is.” “En als je dan geen plek in de buitenruimte hebt, is binnen de aantrekkingskracht van het scherm heel groot”, vult Boudewijnse aan.
Niet alleen
Als je als gemeente het CFCI omarmt, sta je er niet alleen voor. Naast de begeleiding vanuit UNICEF Nederland zijn er in het eerste jaar elke zes of zeven weken ook ontmoetingen met gemeenten die tegelijkertijd zijn gestart. Vreeburg: “Juist in die opstartfase helpt het om van elkaar te horen hoe anderen het aanpakken: hoe doe jij dat nou? Het lukt mij wel om de jongeren te betrekken, maar kinderen vind ik moeilijker. Of: hoe verzamel je de juiste data voor je analyse?” En ook na dat eerste jaar blijft het een verrijking om ervaringen en kennis met elkaar te delen. De bijeenkomsten zijn daarnaast een manier om snel in te spelen op gedeelde thema’s, zegt Vreeburg: “Alle drie de gemeenten uit de eerste lichting doen iets met mentaal welzijn, dus daar hebben we op een gegeven moment ook een spreker over gevraagd.” En misschien nog belangrijker: het doorbreekt het gevoel dat je er als gemeente alleen voor staat in deze pioniersfase en laat zien dat je samen met collega’s door heel Nederland werkt aan een kindvriendelijker Nederland.
Verfrissend
De problemen in de jeugdzorg zijn groot en hardnekkig, benadrukt Boudewijnse. “Ook het Child Friendly Cities Initiative gaat die niet oplossen. Maar UNICEF is een maatschappelijke organisatie die in vrijwel de hele samenleving vertrouwen geniet, daarmee is het dus ook makkelijker om steun te krijgen voor onze plannen. En bovendien is de invalshoek van het initiatief verfrissend. Die verruimt onze blik, laat ons buiten de geijkte kaders denken en zet in onze organisatie echt iets in beweging. Ik vind echt dat meer gemeenten hiermee aan de slag zouden moeten gaan. Nu ik er zo eens over nadenk: we hebben binnenkort weer een portefeuillehoudersoverleg jeugd met omliggende gemeenten. Misschien moeten we daar ook over child friendly cities vertellen. Esther, kom jij dan ook?” “Graag!” antwoordt die.
Wil je meer informatie over het Child Friendly Cities Initiative? Kijk op www.unicef.nl/cfci. Op www.gooisemeren.nl/cfci vind je meer informatie over wat de gemeente Gooise Meren allemaal doet.



